Het verhaal van Marco
Ongedurig wipt hij heen en weer op z’n stoel. De ogen schieten alle kanten op, elk geluid is afleiding. De telefoon die gaat, de jongens die in de naburige ruimte fietsen aan het repareren zijn. Hoe lang het nog gaat duren, vraagt hij ineens. De concentratie neemt af. Marco heeft adhd en wordt na een tijdje praten dan ook onrustig.We zitten in de vergaderkamer van het arbeidstrainingscentrum van het Leger des Heils in Amsterdam. Hier hebben dak- en thuislozen of ex-gedetineerden hun dagbesteding. Fietsen repareren, boten schilderen, inpakwerk. Fasegewijs krijgen de cliënten met steeds moeilijkere taken te maken. Marco werkt voor tien, dat zeggen ze tenminste altijd tegen hem. Want ja, hij heeft adhd. Hij kan er zelf om lachen.
Hij is enthousiast, loopt fanatiek door de werkplaats heen. Een spijkerbroek, een iets te groot colbertje, een roze blouse. Druk gebarend, af en toe die gulle lach. Hij werkt hier via het Domus-project, een woonvorm voor verslaafde veelplegers die om de haverklap vast zitten. In het Domus-huis hebben ze een eigen kamer, 24-uurs begeleiding, en zijn ze verplicht om een dagbesteding te hebben. Zo ook Marco.
Ruim twee jaar heeft hij aaneengesloten in de bajes gezeten, toen hij een jaar geleden vrij kwam was hij alles kwijt. Zijn kamertje in Amsterdam-Zuid had de huisbaas opnieuw verhuurd, zijn spullen waren in beslag genomen. Geld om een opslagruimte te huren had hij namelijk niet. Stond hij daar, 34 jaar oud, zijn leven een complete puinhoop. Dat wilde hij niet meer, dat had hij tijdens z’n detentie ook al bedacht.
Marco groeide op in Enschede, in de kroeg van zijn moeder. Op zijn vierde gingen zijn ouders uit elkaar. De kleuter bleef bij zijn moeder, alcoholiste, en toen nog maar negentien jaar oud. Hij zag veel ellende, er was geweld in huis. Dan hoorde Marco dat, ging naar beneden en kon alleen maar huilen.
Op zijn achtste kwam hij in een internaat terecht. Daar was hij een rotjoch, zoals hij het zelf noemt. Gingen de groepsleiders ’s nachts naar huis, dan knipte hij met een paar maatjes het prikkeldraad door en lieten ze de koeien het terrein op. Of dan braken ze bij de kerk in en haalden ze de donatiepot leeg.
Nergens was hij te handhaven. Hij werd overgeplaatst naar strengere internaten, totdat hij via een tocht langs een groot aantal jeugdgevangenissen in het hele land, uiteindelijk belandde in Den Engh. Het strengste van het strengste zo ongeveer.
Maar daar ontsnapte hij na twee dagen, zoals hij al zo vaak ontsnapt of weggelopen was. Dan ging hij naar zijn vader, die op het woonwagenkamp woonde en alles deed wat God verboden heeft. Als baby nam hij Marco al mee naar de supermarkt, zette hem in het winkelwagentje en stopte de biefstuk achter Marco’s pamper. Of jaren later. Dan moest Marco in de auto wachten, terwijl zijn vader gereedschap bij de Macro weghaalde. Niet gek dat hij ook zó is geworden, denkt hij nu hardop.

De ontsnapping uit Den Engh was de laatste. Marco vertrok als vijftienjarige in z’n eentje naar Amsterdam. Daar klopte hij aan bij een opvangcentrum dat een kamer voor hem regelde. Waar hij weer snel werd weggestuurd omdat hij alleen maar werpmessen in de muur gooide. Gewoon speels, zegt hij nu.
Hij rolde van het ene in het andere baantje. Bij de coffeeshop of jassen ophangen in discotheek de IT, waar hij al snel in aanraking kwam met cocaïne. En daar ging het ook mis. Hij raakte verslaafd, ook aan de heroïne. Hij dealde, jatte en raakte vaak in heftige vechtpartijen verzeild. Heetgebakerd als hij is, helemaal met alcohol of drugs in het bloed, hoefde iemand hem maar verkeerd aan te kijken, en Marco gaf een klap.
Ze zeiden wel eens tegen hem dat hij moest uitkijken. Anders zou hij alles kwijtraken. Zijn kamer die hij inmiddels weer had, zijn geld, alles. Maar het interesseerde hem niets, hij had overal schijt aan. Het komt wel goed, dacht hij dan, hij was tenslotte nog jong. Naïef vindt hij dat nu. Maar het tegengestelde gebeurde. Al die relatief kleine incidenten werden op een hoop gegooid en Marco kon voor ruim twee jaar de bajes in.
Als hij vertelt, verschijnt soms een stoere, trotse blik op zijn gezicht. Spijt heeft hij niet van zijn jeugd, wel dat hij nooit een vak heeft geleerd. Sterker, Marco leerde pas in de bajes lezen en schrijven, daarvoor had hij ‘t altijd verdomd om naar school te gaan. Hij heeft zich inmiddels neergelegd bij zijn ellendige jeugd, heeft geaccepteerd dat hij nou eenmaal is opgegroeid als een soort Ciske de Rat. Zo vindt hij zelf.
Nu werkt hij aan zichzelf. Via Domus, in het arbeidstrainingscentrum. En vooral door te sporten, zo kan hij zijn te veel aan energie kwijt, het helpt hem om rustiger te worden. Met zijn mentor heeft hij afgesproken het even rustiger aan te doen, geen alcohol en dus ook minder kans op geweld. Hij heeft ook geleerd dat hij moet praten in plaats van zijn vuisten te gebruiken als hem iets dwars zit. Dat probeert hij nu, soms gaat het nog mis. Gister nog, moest hij voorkomen voor een geweldsmisdrijf, en wist hij niet of hij zou moeten blijven of niet. Gelukkig gaf de rechter een taakstraf, en kon hij weer gaan.
Een keer per week gebruikt hij cocaïne, niet meer en niet minder. Dat heeft hij met zichzelf afgesproken, dan kan hij ook uitkijken naar vrijdag. Zíjn vrijdag. Verder zit hij in een methadonprogramma en is hij bezig zijn schulden af te betalen. De kosten van een schedelfractuur en een gebroken kaak worden nou eenmaal niet kwijtgescholden.
Het gaat de goede kant op, hij straalt als hij zegt dat hij lekker in z’n vel zit. Uitgebreid legt hij uit hoe hij zijn kamer heeft ingericht, met een bankstel, een flatscreen tv, allemaal van zijn familie gekregen. Hij hoopt dat hij een stijgende lijn bewandelt en wie weet dit jaar nog in een begeleid wonenproject terechtkomt. Want als hij een kans krijgt, neemt hij hem ook, zegt hij met een ferme stem.





